Hubert,
Eigenlijk weten we niet zoveel van je. Je liet maar hier en daar een glimp zien van wat er in je hart omging.
We weten wel dat je een lang leven, tot ver voorbij je pensioenleeftijd keihard en met veel passie gewerkt hebt als slager en op een bepaald moment toch niet echt het hoofd boven water leek te kunnen houden.
Je werd overlever tussen de overlevers. En in die wereld was je een einzelganger.
Soms met veel zichtbare en hoorbare frustraties.
Altijd iets van ‘laat mij maar doen op mijn manier’.
En op den duur vooral ‘ik mag niet klagen’.
‘Ik mag niet klagen’, werd je lijfspreuk. Het leek erop dat je al je zorgen van je had afgesmeten. Altijd een vriendelijke goeiedag. Altijd een zachtmoedige blik. Zo bleef je je gangetje gaan. Zo bleef je door de stad schuifelen langs straten en pleinen. Het leek erop dat je, al schuifelend en groetend, in deze wereld het eeuwige en zachtmoedige leven had gekregen. Tot je lichaam het stilaan opgaf. Eerst kon je hart nog opgelapt worden. Uiteindelijk stokte heel je systeem.
We mochten even bij je zijn op je sterfbed. We spraken erover dat de lastige obstakels van je leven uiteindelijk ondergesneeuwd waren door een laag van mildheid en zachtheid. En we hoorden tussen het machinegeluid van de apparaten die je nog probeerden in leven te houden, plots een vogel fluiten.
Jij vloog als een vogel, over het zachte en milde sneeuwtapijt, een oneindige vrede tegemoet.
Vlieg nu maar verder, lieve Hubert, naar een nieuwe wereld, die niet vindbaar was in alle krantenartikelen die je uitpluisde, maar die wel vindbaar is voorbij de einder, een wereld waar de ultiemste vrijheid en de meest liefdevolle thuis één en eeuwig zijn.

Een reactie achterlaten